Debat Eeklo

20181201 Affiche

                             Meer info...

20181025 Klimaat

Information                Meer info...

HbH TinaTamara Facebook C 002clean

                                   Meer info

Logo Coord Blokkade kl

                                    Meer Info

Affiche C50

TTIP CETA

Meer info

flyer voorkant

Meer info

Delen van artikels

Het valt te betreuren dat het debat over de competitiviteit van onze economie al te eenzijdig gevoerd wordt. De aandacht gaat steeds opnieuw naar de arbeidskosten die ‘structureel’ te hoog zouden zijn en negatief doorwegen op de keuze om te investeren en aan te werven. Deze benadering is voor discussie vatbaar, niet enkel omdat de argumenten gefundeerd worden op cijfers die niet onbetwistbaar zijn, of omdat de arbeidsproductiviteit (arbeidskost per eenheid product per gewerkt uur) nagenoeg niet in rekening wordt genomen maar ook omdat men nooit de toenemende ‘kapitaalskost’ in het debat betrekt. 

Naast de factor arbeid is immers ook de factor kapitaal van essentieel belang in de werking van onze economie. KMO’s hebben nood aan kredieten en deze kunnen soms zeer duur zijn. Zelfstandigen hebben behoefte aan overbruggingskredieten en moeten hun eigendom als onderpand geven. Een belangrijk aantal faillissementen bij KMO’s zijn een gevolg van een (tijdelijk) liquiditeitsprobleem dat de banken weigeren te onderkennen. Grote ondernemingen halen kapitaal op de beurs via de uitgifte van corporate bonds (obligaties) of het uitschrijven van nieuwe aandelen. Beleggers verwachten een rendement voor het kapitaal dat ter beschikking wordt gesteld, of het nu via een bank gebeurt of via de aandelen- en obligatiemarkt. In al deze situaties kan men gerust spreken van een ‘kapitaalskost’ die doorweegt op de activiteit van ondernemingen.

Deze ‘kapitaalskost’ is beginnen stijgen sinds eind jaren ’90. Wanneer bepaalde concerns een Return on Own Equity [1] behalen van 12 à 15%, zoals bijvoorbeeld het geval is in de farmaceutische sector, dan zoeken beleggingsfondsen dergelijke return op. Het vluchtige beurskapitaal zoekt altijd naar de hoogste rendementen en dreigt zich terug te trekken bij slechte trimestriële resultaten van ondernemingen.

Hangmat-kapitaal

In een recente studie trachten de Rijselse economen Laurent Cordonnier en Franck Vandevelde [2] zicht te krijgen op de exacte stijging van de kapitaalskost. Wat Frankrijk betreft komen zij terecht bij een extra-kost van 50% à 70% bovenop de ‘normale’ kost [3]. Deze extra-kost stemt overeen met de financiële terugverdien-norm die gehanteerd wordt door beleggers. De hoge return op geïnvesteerd kapitaal is volgens hen een essentieel aspect van het ‘renteniersliberalisme’. Overal en altijd worden keuzes eenzijdig bepaald door de return van een belegging. Op zich is dat niet nieuw zij het dat de financiële markten globaal functioneren en er dagelijks voor miljarden euro’s of dollars aandelen en corporate bonds wordt verhandeld tussen investeerders op de verschillende beurzen ter wereld. De meerkost van het kapitaal is de afspiegeling van het overwicht dat financiële operatoren hebben verworven binnen, naast en boven de productieve sectoren.

Er bestaan voldoende indicaties dat we in België dezelfde evolutie hebben gekend. Grafiek 1 geeft de evolutie weer van de dividenden binnen de toegevoegde waarde. De toegevoegde waarde wordt door de inzet van de productiefactoren arbeid en kapitaal bekomen. De data zijn beschikbaar bij de Nationale Bank van België. Voor de periode 2002-2011 stellen we van dat de dividenden een toenemend beslag leggen op de geproduceerde rijkdom, ondanks de crisis.

Grafiek 1: aandeel van de dividenden en winstkeringen binnen de toegevoegde waarde (%) (bron NBB-BNB)

Untitled-2

De dividenden en winstuitkeringen stemmen overeen met de bezoldiging van de productiefactor kapitaal, en kunnen dus als een algemene indicator van de ‘kost’ van kapitaal gebruikt worden. Wanneer we de evolutie van de dividenden vergelijken met deze van de personeelskosten, de toegevoegde waarde, de exploitatiesubsidies (patronale bijdragenverminderingen) en het bruto-exploitatie overschot (winsten+ investeringen + belastingen) stellen we vast dat personeelskosten en toegevoegde waarde plusminus gelijk tred houden maar dat de bezoldiging van het kapitaal fenomenaal toeneemt en dat de overheidssteun onder de vorm van bijdragenverminderingen zowel in relatieve en absolute cijfers toenemen.

Grafiek 2: evolutie van de toegevoegde waarde, dividenen, exploitatie-subsisides, bruto-exploitatie overschot en personeelskosten (2002-2011) (bron NBB-BNB)

Untitled-1

Graaicultuur

Sinds 2002 zijn de dividenden in ons land met 79% gestegen terwijl de ‘personeelskosten’ (lonen + sociale bijdragen) met 30% gestegen zijn. De crisisjaren veranderden hier weinig aan: tussen 2009 en 2012 is de bezoldiging van kapitaal nog steeds met 12% gestegen terwijl de personeelskosten met 6% stegen. Rekening houdende met de inflatie kunnen we zeggen dat de personeelskosten grosso modo stagneren terwijl aandeelhouders hun inkomsten significant hebben zien toenemen. De proef op de som kan gemaakt worden wanneer we bij de NBB de verdeling van de toegevoegde waarde [4] bekijken: het aandeel van de lonen in deze toegevoegde waarde is van 63% naar 58% gedaald op minder dan 10 jaar tijd. Opnieuw stellen we vast dat kapitaal zichzelf steeds meer beloont, ondanks de crisis.

De ‘meerkost’ van het kapitaal heeft ook een macro-economisch effect. De reden is eenvoudig: de extra-winstafroming vereist kostenbesparingen die op hun beurt de lonen doen stagneren en bijgevolg ‘consumptieve vraag’ inperken. Dit brengt een negatieve spiraal op gang waarbij prijzen naar omlaag getrokken worden, winstmarges hersteld worden via inperken van lonen waarna de cyclus opnieuw begint. En dit is net wat VOKA, UNIZO en de neoliberale think tanks niet willen inzien. Hun benadering is eenzijdig en laat in de schaduw wat het kapitaal ‘kost’ aan de economie. Zij kijken enkel in de richting van de arbeidskosten en zwijgen in alle talen over het feit dat financiële beleggers en aandeelhouders een steeds groter deel van de koek voor zich nemen. Maar dergelijk competitiviteitstreven gericht op vermindering van de arbeidskosten heeft op zijn beurt, via werkonzekerheid en flexibilisering, ook een sociale kost. Vele bedienden, kaders of arbeiders worden ziek van de stress en ondergaan een versneld verouderingsproces wegens de intensivering van het arbeidsritme.

Het kan niet dat men de verantwoordelijkheid voor het versterken van de competitiviteit van de economie steeds bij de factor arbeid zoekt. Dit is een eenzijdige benadering die van selectieve blindheid getuigt. VOKA, UNIZO en VBO mogen in eigen boezem kijken en erkennen dat ze inzake winstuitkeringen en dividenden van de crisis weinig of niets ondervonden hebben. Wat hoegenaamd niet het geval is voor de werkende bevolking.

Samengevat: de toenemende ‘kapitaalkost’ mag gerust omschreven worden als ‘hangmatkapitaal’ dat de reële economie moet torsen… Tijd dat we ons hiervan bewust worden en de vraag durven stellen of er geen ingrepen nodig zijn. Wij denken van wel.

Zo kan de overheid de exploitatiesubsidies (lineaire werkgeversbijdragen) aan voorwaarden koppelen inzake effectiviteit. Anders wordt er toch gewoon geld over de balk gegooid? Terwijl de middelen in feite de sociale zekerheid toekomen… Zowel vanuit maatschappelijk als vanuit ethisch oogpunt kan gesteld worden dat enkel de ondernemingen die in ons land belastingen betalen, investeren, werkzekerheid bieden en een ecologische ‘stresstest’ doorstaan toegang mogen krijgen tot overheidssteun.

Dirk Van der Maelen & Stephen Bouquin - mei 2014

Dit artikel verscheen eerder op Apache.be en in Volkgazet.


[1] De ROE is een vergoedingsratio per eenheid geïnvesteerd kapitaal, zeg maar de winstmarge op geïnvesteerd kapitaal

[2] Laurent Cordonnier e.a., Le coût du capital et son surcoût. Sens de la notion, mesure et évolution, conséquences économiques, januari 2013, CNRS, Universiteit Lille 1, 160 blz, mimeo.

[3] De ‘normale’ kost van kapitaal stemt overeen met de ‘inspanning’ die nodig is om kapitaalsgoederen voort te brengen zonder onderscheid te maken tussen afschrijvingskosten en netto-accumulatie.

[4] De ‘toegevoegde waarde’ omvat zowel de personeelskosten als de brutowinsten voor belastingen. De aankoop van goederen en diensten worden uit de toegevoegde waarde gehaald omdat de waarde, elders, door een andere entiteit wordt geproduceerd.