HAD 2020 Banner                                 More info...

Affiche NLDS Belgie 2020 lage kwaliteit

Delen van artikels

Het is een publiek geheim dat minister van Defensie Pieter De Crem (CD&V) een voorkeur heeft voor de JSF als opvolger van de verouderde F-16-vliegtuigen. Waar hij het budget daarvoor hoopt te vinden op een moment dat de Belgische begroting onder Europese curatele staat, is een raadsel.

De ontwikkeling van de JSF-jachtbommenwerper werd toegewezen aan het Amerikaanse defensiebedrijf Lockheed Martin en werd in 2001 opgestart. Om de kosten voor onderzoek en ontwikkeling te kunnen dragen werden samenwerkingsakkoorden gesloten met acht andere landen, waaronder Nederland. Van meet af aan kampte het project met vertragingen en liep de kostprijs enorm op. Dat deed een aantal landen zelfs overwegen om uit het programma te stappen. In 2010 waren de productiekosten volgens de Amerikaanse Rekenkamer al gestegen van de oorspronkelijk beraamde 59 miljoen dollar per stuk naar 112 miljoen dollar en dat in amper acht jaar tijd. Ook de onderzoeks- en ontwikkelingskosten waren gestegen met maar liefst 40 procent.

Ondertussen circuleert het cijfer van 120 miljoen euro per JSF (DS 20 september). En dan gaat het om de productiekosten, niet eens om de verkoopprijs. Het verschil met Nederland is dat België niet mee investeert in het project. Nederland participeert voor een bedrag van maar liefst 1,74 miljard euro in de ontwikkeling van de F-35’s. Het spreekt voor zich dat deze onderzoeks- en ontwikkelingskosten – meer dan 40 miljard dollar – zullen verhaald worden op kopers die geen deel uitmaken van het ontwikkelingsprogramma. Tot slot moeten ook de dure exploitatiekosten mee in rekening worden genomen.

Defensiebudget
Laten we eens kijken hoe de Nederlandse Rekenkamer het allemaal heeft berekend. Het Nederlandse ministerie van Defensie had voor de opvolging van de F-16 4,5 miljard euro uitgetrokken, waarvan eind 2012 nog maar 4,05 miljard overbleef na aftrek van de kosten voor twee testtoestellen. In het oorspronkelijke plan wilde Nederland 85 toestellen aankopen, wat door de Rekenkamer geraamd werd op 8 miljard euro over een periode van 8 jaar (2016-2024) of omgerekend 95 miljoen per stuk. Maar bij gebrek aan budget is er uiteindelijk beslist om 37 toestellen te kopen voor 4,5 miljard euro (waarvan dus al een deel is uitgegeven) of omgerekend 121,6 miljoen euro per toestel en geen 62 miljoen zoals ons wordt voorgespiegeld.

Daar moeten nog de exploitatiekosten worden bijgerekend. Volgens de Nederlandse pers zouden de exploitatiekosten (exclusief brandstof) voor de 37 toestellen jaarlijks 270 miljoen euro bedragen of 7,2 miljoen per jaar per toestel. Voor de hele levensduur van 30 jaar moet je dus rekening houden met 220 miljoen euro, maar dat moet bovendien jaarlijks geïndexeerd worden volgens levensduurte.

Omdat, zoals gezegd, België anders dan Nederland niet in de ontwikkeling van de JSF participeert is het niet overdreven om te stellen dat de uiteindelijk kostprijs voor een Belgische JSF gemakkelijk boven de 150 miljoen euro kan uitkomen. Het jaarlijkse budget voor de aankoop van legermaterieel bedraagt ongeveer 250 miljoen euro. Het huidige defensiebudget kan zo’n aankoop – indien we echt het F-16-park willen vervangen – zelfs met verschuiving van posten dus niet dragen.

Het is duidelijk dat het om meer gaat dan een technisch debat over de logistiek van het leger. De JSF’s zijn per definitie interventiegericht, gemaakt om te bombarderen. Het dossier kan ook niet worden losgekoppeld van de nucleaire taken van het leger, want de JSF is – anders dan de F-16 – in staat om de moderne versie van de B61 kernbom uit Kleine Brogel te transporteren. Onlangs kregen we te horen dat zo’n modernisering er staat aan te komen, terwijl deze bommen gewoon weg moeten, tenminste als het regeerakkoord wordt gevolgd.

Er zijn veel vraagtekens te plaatsen bij het interventiegericht karakter van ons leger en de harde peace-enforcing-opdrachten zoals die in Afghanistan en Libië. Het is gebleken dat zulke harde interventies ontzettend duur zijn en bovendien zeer destabiliserende gevolgen hebben op lange termijn.

Heroriënteren
We zouden ervoor kunnen opteren om het leger op minimale defensie te handhaven of maximum te specialiseren in klassieke vredeshandhavingsopdrachten zoals ontmijnings- of ontwapeningsopdrachten in VN-verband. België kan ervoor kiezen om de middelen die we verkwisten aan interventiegerichte militaire systemen te heroriënteren naar humanitaire opdrachten, ondersteunen van vluchtelingen en lokale vredesdiplomatie. Elk jaar opnieuw blijkt immers hoe moeilijk internationale organisaties het hebben om – anders dan voor de erg dure militaire operaties – daarvoor middelen te vinden. Hoog tijd voor een grondig debat over de toekomst van ons leger dus.

Ludo De Brabander (auteur is woordvoerder van Vrede vzw en co-auteur van het boek ‘Als de Navo de passie preekt’ (EPO, 2009))

Dit opiniestuk verscheen eerder in De Standaard op 25 september 2013.